Het Kallitypieprocédé (1889 - 1930)

Alhoewel Herschel in 1842 de basis legde voor de procédés afhankelijk van de lichtgevoeligheid van ijzerzouten is het slechts in 1889 dat W.J.Nicol het kallitypieprocédé uitvond.

Het kallitypiepapier wordt gesensibiliseerd met zilvernitraat en ijzerzouten. Zoals bij de cyanotypie reduceert de blootstelling aan licht de ijzer(III)zouten of ferrizouten tot ijzer(II)zouten of ferrozouten. Tijdens de ontwikkeling wordt het zilvernitraat, in contact met deze nieuwe ijzerzouten gereduceerd tot metallisch zilver. Het eindresultaat is een fotobeeld bestaande uit zilvermetaaldeeltjes verstrooid tussen de papiervezels zoals bij de zoutdruk.

Het kallitypieprocédé bereikte nooit de populariteit. Zij ontstond op hetzelfde moment als het populaire "gaslichtprocédé" en een tiental jaar na de commerciële introductie van het platinapapier. Bovendien was de kallitypie niet zo praktisch als het gaslichtpapier en niet zo bestendig als de platinadruk.

Het fijnverdeeld zilvermetaal van de kallitypie is, zoals bij de zoutdruk, minder houdbaar dan platina. Het is echter een economische manier om afdrukken te verwezenlijken die sterk op platina-palladiumdrukken gelijken.

Nicol ontwikkelde en brevetteerde drie verschillende kallitypieprocédés. Alhoewel zij op 't eerste zicht totaal van elkaar afwijken zijn ze in feite varianten van éénzelfde chemische basisreactie. De drie procédés gebruiken verschillende manieren om een chemische reactie uit te voeren die start met een lichtgevoelige ijzeroplossing en eindigt met een fotografisch zilverbeeld.

Soms gebeurt deze reactie in de lichtgevoelige oplossing, soms in de ontwikkelaar en soms in de eindstap van het procédé. In de loop van de tijd werden talrijke variaties van de kallitypie ontwikkeld. D. Stevens stelt de drie procédés van Nicol voor als kallitypie K I, K II en K III.

In het K I procédé wordt het papier gecoat met een lichtgevoelige oplossing die alleen het organische ijzerzout bevat. Het gecoate papier wordt vervolgens gedroogd en belicht in contact met een negatief. Tijdens de belichting verandert het ijzer(III)oxalaat tot ijzer(II)oxalaat en wordt er een ijzer(II)oxalaatbeeld gevormd.

In het K I procédé wordt het belicht papier in een zilvernitraatbad ontwikkeld en ontstaat er een zilverbeeld. Dit is het basisprocédé dat Nicol in 1892 in zijn eerste patent voorstelde.

Het K I procédé produceert een neutraal zwarte beeldkleur die men evenwel door gebruik van aangepaste ontwikkelaars van warmkleurig tot sepia kan veranderen. Na de ontwikkeling wordt de print opgeklaard, gefixeerd en gespoeld.

Een voordeel van de K I methode is zijn eenvoudige en gemakkelijk controleerbare lichtgevoelige oplossing die elke interactie tussen ijzer en zilver voor de belichting verhindert.

Het nadeel van het K I procédé is de variabiliteit van de ontwikkelaar waarvan de zilverconcentratie bij iedere behandelde print verandert. Daarenboven bevlekt de zilvernitraathoudende ontwikkelaar huid en kleding.

Het K II procédé is zeer verschillend in deze zin dat de lichtgevoelige oplossing zowel het ijzerzout als het zilvernitraat bevat. De ontwikkelaar van het K II procédé, Rochellezout, is in feite een solvent van het ijzer(II)oxalaat dat resulteert bij de belichting van ijzeroxalaat.

De ontwikkeling van de K II druk gebeurt quasi onmiddellijk, zoals bij het platinaprocédé. Na volledige ontwikkeling wordt het zilverbeeld gefixeerd en gespoeld. Het K II procédé was in 't verleden het meest gebruikte van de drie bestaande kallitypieprocédés.

Het K III procédé was het procédé waarop Nicol het meest zijn verwachtingen stelde. Het gesensibiliseerd papier bevat alle ingrediënten die het zilverbeeld na belichting doen ontstaan en vereist alleen een fixering en een waterspoeling na de belichting.

De late introductie van het kallitypiesysteem en het feit dat Nicol alles breveteerde en aldus niet publiek maakte hebben in de hand gewerkt dat de kallitypie nooit veelvuldig gebruikt werd.

Het Satista procédé dat Nicol in 1913 brevetteerde, bevatte, buiten de gewone kallitypie ingredi¨enten, een gehalte aan platinazouten. Dit procédé, alhoewel gevoelig economischer dan het platina procédé, kende geen buitengewoon sukses en blijkt niettemin tot in de jaren 1930 bestaan te hebben.

 TERUG